Franciscus: profeet van de menselijke waardigheid (deel 3)

Ik ben in mijn vorige blogpost al even terug gesprongen naar onze eigen tijd, maar ik wil toch eerst weer terug naar de tijd van Franciscus. Want er valt nog meer te zeggen over die bijzondere voorliefde van Franciscus voor melaatsen, die ik maar even zal nemen als het voorbeeld van mensen die in die tijd overal buiten stonden.

Over melaatsen heeft Franciscus het niet alleen in zijn eerste Regel, maar ook heel duidelijk in het begin van zijn Testament. Hierin zegt hij: “De Heer zelf heeft mij tussen hen gebracht, en ik heb hun barmhartigheid bewezen (Test 2).” Die barmhartigheid is een sleutelwoord voor de omgang van Franciscus met melaatsen. Ze kwam voort uit een diepe bewogenheid bij het zien – daadwerkelijk zien – van een melaatse, zoals ons verteld wordt in ‘het verhaal van de drie gezellen’ (3 gezellen 11). En als gevolg daarvan ervaarde Franciscus het als zijn roeping om deze mensen te dienen. Mensen die door de samenleving van hun tijd werden gezien als oud vuil, als niet-mensen.

Profetisch spreken?
Op het eerste gezicht treedt Franciscus, met het zien van mensen die doorgaans niet gezien worden, in de voetsporen van de profeten van het Oude Testament. De meest uitgesprokene van die profeten is Amos, die de rijken uit zijn tijd ervan langs geeft – vooral als zij zich daarbij ook nog eens als vroom voordoen. “Gij die de zwakken vertrapt, onschuldigen grijpt en mishandelt – Ik kan uw psalmen niet luchten. Spaar mij uw liedjes en uw fluiten”, zegt Amos namens de Eeuwige (1). En als ze hem zeggen dat hij zijn mond moet houden, omdat hij in een heiligdom van de koning staat te profeteren, heeft hij zijn weerwoord klaar: “De Eeuwige heeft mij achter mijn beesten weggehaald en mij gezegd: ‘Ga als profeet naar mijn volk Israël’.” (2) Niet het gezag van de koning doet ertoe, maar het gezag van de Eeuwige.

Franciscus heeft dit met Amos gemeen, dat hij namens God spreekt en zich daarin weinig aantrekt van wereldse machten. Als de keizer voorbij trekt, stuurt hij één van de broeders daar naartoe met de opdracht om de keizer eraan te herinneren dat wereldse macht vergaat (1 Celano 43). Maar dat is eigenlijk de enige keer dat we van Franciscus weten dat hij als een profeet sprak – en dan liet hij het nog door iemand anders doen ook. In feite is Franciscus helemaal niet iemand die een roep om gerechtigheid van de daken laat klinken. Wat hij doet, is die andere grote kernwaarde uit de Bijbel in de praktijk brengen: barmhartigheid. En ook daar spreekt hij niet zozeer over; hij doet het. Waar Amos woorden spreekt van gerechtheid voor kwetsbare mensen in het Oudtestamentische koninkrijk Israël, stelt Franciscus daden van barmhartigheid tegenover kwetsbare mensen in het middeleeuwse Umbrië. Het typerende van Franciscus is daarbij, dat hij radicaal is en geen halve maatregelen neemt – en daarin lijkt hij dan wél weer op Amos. Dat handelen vanuit barmhartigheid, dat is zijn hele leven en dat van zijn broeders.

Het ‘verhaal van de drie gezellen’ vertelt ons over dat beslissende moment in het leven van Franciscus, toen hij een melaatse omhelsde. Door iemand te omhelzen, toon ik dat ik die persoon ziet als hele mens – als mens die mijn liefde waardig is. Door die melaatse te omhelzen herstelde Franciscus hem in zijn waardigheid als mens. Ook die mensen die waardeloos zijn in de ogen van de samenleving, ziet hij zoals ze zijn – als mens, als kind van God. In die zin is Franciscus wel degelijk een profeet. Niet met woorden, maar met daden. Een profeet van de menselijke waardigheid. En het belang daarvan is groter dan wij misschien wel denken. Wat mijn dakloze vriend destijds eigenlijk zei, was: materieel gemis, dat kan ik nog dragen – al is het soms maar nét. Niet als mens worden gezien – dat is onverdraaglijk. Franciscus als profeet is dus een profeet van daden, van concrete praktische inzet. Om mensen die als waardeloos worden gezien, te herstellen in hun waardigheid. In zijn Eerste Regel spoort hij de broeders niet aan om het kwaad aan te klagen, zoals Amos deed. Hij spoort ze aan om iets goeds te zeggen of iets goeds te doen waar iets kwaads gezegd of gedaan wordt (RegNB 17,19).

Dit roept de vraag op: moet een volgeling van Fransiscus zich dan helemaal onthouden van het aanklagen van foute zaken? Daarover de volgende keer meer.

(wordt vervolgd)

(1) Uit Amos 5; vertaling Huub Oosterhuis
(2) Amos 7,15 (Willibrordvertaling)

Dit artikel is geplaatst in Franciscaans Leven en een bewerking van een eerder gehouden inleiding op de ontmoetingsdag in maart 2013 van de Franciscaanse Gideonsbende.

Gebruikte afkortingen die verwijzen naar de Geschriften van Franciscus:
1 Celano: De eerste levenbeschrijving van Franciscus, door Thomas van Celano
3 gezellen: Het Verhaal van de Drie Gezellen
RegNB: Eerste Regel van Franciscus
Test: Testament van Franciscus

De Geschriften zijn o.a. verkrijgbaar via het Dienstencentrum van de Franciscaanse Beweging. Zie hiervoor http://www.franciscaansebeweging.nl/shop/boeken/franciscus-van-assisi-de-geschriften/31980/. Voor meer informatie over de Geschriften (incl. enkele citaten): http://www.franciscaansebeweging.nl/content/over-de-beweging/inspiratie-uit-het-begin/geschriften-van-franciscus/145/. 

Advertenties
Categorieën: franciscus, geloof, lofzang, overdenkingen, Uncategorized | Tags: , , , , , | Een reactie plaatsen

Berichtnavigatie

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s

Maak een gratis website of blog op WordPress.com.

%d bloggers liken dit: