Berichten getagd met: pluraliteit

Spreken in het belang van God

Na mijn toch nogal ambitieuze aanzet begin juli zijn er geen verdere posts gevolgd over de vrolijke wetenschap der theologie. Gaza kwam ertussen, met name, naast de andere schokkende (en nog steeds voortdurende) ontwikkelingen in de internationale politiek. Daarnaast is de weg die ik ook nog aan het gaan ben om uiteindelijk predikant te kunnen worden aan een erg drukke etappe begonnen.

Die etappe brengt me in aanraking met mensen uit heel andere hoeken van de PKN dan ik tot dusver gewoon was. Het leidt tot soms felle discussies over hete theologische hangijzers. Ik zie mij opeens geconfronteerd met jonge predikanten in opleiding die oprecht geloven dat je verloren gaat als je niet gelooft in Jezus Christus als onze heiland en verlosser. Dit is mijlenver van mijn eigen theologische bed. Het raakt echter wel aan wat ik in die post van begin juli aanstipte over de vraag naar universaliteit en particulariteit.

Lees verder

Categorieën: geloof, overdenkingen, theologie | Tags: , , , , | 1 reactie

Grootvader, ik heb u lief

We stonden er toch maar weer mooi, bij de Dokwerker, op de 22e maart. Een demonstratie tegen racisme met een slordige 10.000 Nederlanders van alle soorten, maten en leeftijden. Mensen die toch al van plan waren geweest, omdat ze de urgentie al veel langer hadden ingezien, en mensen die in beweging waren gekomen na de ‘wake-up call’ die het beruchte ‘minder, minder’ van Geert Wilders en zijn aanhangers uiteindelijk geworden is. Langs de weg van de demonstratie was ik al wat W!J-bekenden tegengekomen, en bij de Dokwerker stond ik uiteindelijk met een vriendin die ik ken van onze gezamenlijke zeiltochten in de zomer op de Waddenzee met de tjalk de Bruinvisch, het schip van Cees Dekker –  ook al een kleurrijke figuur trouwens. En achter ons stond zomaar opeens een al wat oudere meneer, overduidelijk van Marokkaanse afkomst. Met zijn grijze baard en zijn djellaba was hij het toonbeeld van wat ik mij zo voorstel bij een traditionele Marokkaanse grootvader. En hij droeg heel fier een fors uitgevallen Nederlandse vlag. Ik vond het ontroerend. En nog meer toen ik hem, alweer op de terugweg in de trein, zag terugkomen op een foto op Facebook. Die foto was daar neergezet door een jonge vrouw, zelf ook van Marokkaanse afkomst, die erbij had gezet dat ze trots én ontroerd was door dit beeld. Die Marokkaanse grootvader – ik vermoed tenminste dat hij wel kleinkinderen zal hebben – maakte daar een overduidelijk statement. Ja, ik ben Nederlander. En ja, mijn wortels, mijn roots, die zijn me dierbaar en kostbaar en die geef ik niet op, want wat je van huis uit hebt meegekregen, dat zal nu eenmaal altijd het meest “eigen” blijven. Dat geldt niet alleen voor deze Marokkaanse grootvader, dat geldt ook voor jou en voor mij en voor ons allemaal. Wie dat ontkent, die liegt.

Marokkaanse grootvaders

Terwijl ik dit schrijf, de dag na de demonstratie, heb ik net op de televisie de gezamenlijke kerkdienst van de Raad van Kerken en de PKN gezien, die veelzeggend het thema droeg: “Wij geloven in méér“. Dat ze daarin Jozias van Aartsen aan het begin aan het woord lieten, heb ik maar even voor lief genomen – al vind ik het niet echt geloofwaardig als hij daar over het belang van grondrechten staat te oreren terwijl hij zelf bijzonder goed is in het inperken van diezelfde grondrechten, zoals bijvoorbeeld het recht om te demonstreren tijdens de nucleaire top van de komende paar dagen. Maar dat was wat mij betreft de enige smet op een gebeurtenis die ik verder ook zeer ontroerend vond. Helemaal toen ik onder de mensen die aan het einde het licht met elkaar deelden, mijn lieve collega Nora zag. Kleindochter van een andere Marokkaanse grootvader. Maar als ik toch nog één puntje van kritiek mag uiten: er is een bijbeltekst heb ik in die kerkdienst gemist heb, en die nu juist de betrekkelijkheid van grenzen en afkomst zo krachtig neerzet. Ik heb hem in mijn vorige blogpost al geciteerd. “Heb de vreemdeling lief, want zelf ben je vreemdeling geweest in Egypte”. Ga met die ‘vreemde’ ander om zoals je zou willen dat die met jou omgaat. Daarom, Grootvader, met uw djellaba én met uw Nederlandse vlag: ik heb u lief.

Nora deelt het licht

Nora deelt het licht

Deze blogpost is in een iets andere vorm ook te lezen op www.nieuwwij.nl

Categorieën: lofzang | Tags: , , | Een reactie plaatsen

Echte gelovigen: wat bedoelt u?

Afgelopen vrijdag, een méér dan boeiende avond in De Nieuwe Liefde. Georganiseerd onder auspiciën van de Edward Schillebeeckx Leerstoel voor Theologie en Samenleving, waarin De Nieuwe Liefde samenwerkt met mijn werkgever, het DSTS. En dan ook nog eens ter ere van de 99e verjaardag van Edward Schillebeeckx, naar wie de leerstoel is genoemd. Aangezien ik zelf een aanzienlijk deel van mijn werktijd van de afgelopen twee weken (en daarvoor) in de organisatie had gestopt, was het voor mij overigens des te bevredigender dat het een zeer geslaagde avond is geworden.

Het ging over soefisme, die vaak onbekende en/of verkeerd begrepen mystieke stroming in de islam. Onbekend, omdat veel Nederlanders islam vooral kennen als een godsdienst van regels en wetten, en er geen idee van hebben dat de islam ook genoeg vrome mensen kent die met hart en ziel verlangen naar de ervaring van Gods aanwezigheid. Vrijdagavond heeft echter nog eens goed laten zien hoezeer een stroming als het soefisme is ingebed in het geheel van de islam. We hadden dan ook experts als gastsprekers, die zowel erudiet waren als bewogen, kritisch en betrokken. In de zaal was niet alleen het ‘doorsnee’ Nieuwe-Liefdepubliek maar ook een aardig aantal jonge moslims, die overigens ook een flink deel van de vragen vanuit het publiek voor hun rekening namen. En daarbij ook een grote betrokkenheid toonden. Verschillende van hen voelden zich aangetrokken tot het soefisme, maar vroegen zich bijvoorbeeld af hoe dat in Nederland meer bekendheid kan krijgen.

2013-05-19_01

Na afloop, toen we als organisatoren en publiek nog even van een goed glas genoten en napraatten, raakte ik in gesprek met één van de gastsprekers, Kari Vogt, in haar vaderland Noorwegen een zeer bekende islam-expert. Het gesprek kwam erop hoe vanzelfsprekend soms het verstaan kan zijn tussen gelovige moslims en gelovige christenen (zij is zelf overtuigd katholiek). Daar zei ik op een zeker moment over: “werkelijk gelovigen verstaan elkaar over grenzen heen”. Op dat moment klonk dat volkomen overtuigend. Pas later, in de trein op weg naar huis, begon ik vraagtekens te zetten bij mijn eigen uitspraak. Wat bedoel ik dan met ‘werkelijk gelovigen’? Is iemand in de ‘bible belt’ op de Veluwe, wiens hele leven zich om het christen-zijn afspeelt, dan niet werkelijk gelovig? Toch zou ik me die niet zo gauw in een zusterlijk/broederlijk geloofsgesprek met een vrome moslim kunnen voorstellen. Conclusie: mijn uitspraak klopt niet helemaal. Wat bedoelde ik dan wél?

Er is een oneindig groot aantal manieren om te geloven. Waarschijnlijk evenveel als er mensen zijn. Maar ik vermoed dat er één aspect is, dat het grote verschil uitmaakt. Dat is de vraag: gaat het om een open manier van geloven of om een gesloten manier? Toen ik het had over ‘werkelijk gelovigen’, bedoelde ik ‘werkelijk gelovigen op een open manier’. Of misschien bedoelde ik wel feitelijk ‘God-zoekers’ (ik vermoed dat Kari het ook in die zin verstond). En dat heeft dan weer te maken met wat ik eerder noemde ‘met hart en ziel verlangen naar de ervaring van Gods aanwezigheid’. Om te verlangen naar die ervaring, moet je je open stellen. Je moet God de ruimte geven om tot je te komen. Het gaat uiteindelijk om een Gods-ontmoeting, en een ontmoeting heeft altijd twee kanten. Zoeken betekent ook: niet helemaal weten wat je zult vinden. Als ik een echte zoeker ben laat ik de mogelijkheid open dat God wel eens anders zou kunnen zijn dan ik denk. 

Dit sluit dan weer aan bij een van de andere gastsprekers, Vincent Cornell. Hij haalde een uitspraak van Schillebeeckx aan: “God heeft zo’n overvloed aan waarheid dat hij nooit volledig geïnterpreteerd kan worden door maar één religie (…) God is altijd nieuw en groter dan alle religies tezamen.” Dat is iets waar een oprechte God-zoeker terdege rekening mee moet houden. En tegelijk is dat ook juist het punt waarop oprechte God-zoekers uit allerlei verschillende tradities elkaar vinden. Ook al geven ze zelf misschien een heel andere naam aan wat ik ‘God zoeken’ noem. Maar, zoals ik al eerder eens heb geschreven: een religie is als een taal. Ik spreek Christelijk; dat is mijn taal (net als die van Schillebeeckx). Dat maakt het soms lastig om je te verstaan met gelovigen uit andere tradities. Maar zoals liefde en vreugde vaak ook te communiceren zijn zonder taal, dwars door taalbarrières heen, zo is het ook met het zoeken naar God. Werkelijke God-zoekers verstaan elkaar, dwars door alle religieuze barrières heen.

Godlof daarvoor!

Categorieën: geloof, lofzang, overdenkingen | Tags: , , , , , | 1 reactie

Stad en platteland: menselijke en fysieke ruimte

Afgelopen vrijdag was ik bij de slotbijeenkomst van de Dag van de Dialoog in Amsterdam. Niet als deelnemer, maar om het nieuwste boek van het DSTS te verkopen. Het was een boeiende bijeenkomst over het thema: je thuisvoelen (vandaar dat ons gevraagd was om ons boek daar te verkopen). Toch was het voor mij persoonlijk ook een vervreemdende ervaring. Het ging namelijk nadrukkelijk over: je thuisvoelen in Amsterdam. En ik ben nadrukkelijk geen Amsterdammer. Ik werk in die stad, dat is alles. Ik zou er niet aan moeten denken om er te wonen; niet in Amsterdam en in geen enkele grote stad. Pas geleden nog heb ik mijn dagelijkse fietstocht van Molenpolder naar het station radicaal veranderd: ik reis niet meer vanaf Utrecht Centraal naar Amsterdam maar vanaf Maarssen. Zodat ik niet meer iedere dag de stad door moet, maar in plaats daarvan het grootste deel van mijn tocht tussen de veenweiden en de legakkers door fiets. Op deze boeiende bijeenkomst van Amsterdammers voelde ik mij dus echt een buitenstaander. Wat op zich al een interessante ervaring is, als je de moeite neemt om dit gevoel eens goed door je heen te laten gaan.

Al voel ik me dan helemaal een plattelander, tegelijk werk ik voor een organisatie die op zoek is naar een ‘nieuw wij’ in onze samenleving. Dit betekent dat mijn verhouding tot “de stad” – niet alleen tot Amsterdam, maar tot iedere grote stad – nogal ambivalent is. Want het ‘nieuwe wij’ gebeurt in de stad. Dáár is de plaats waar verschillende bevolkingsgroepen elkaar vinden (of juist helemaal niet, maar dat is een ander verhaal). Een buurtschap als Molenpolder is  qua bevolking redelijk éénvormig. Daar ben ik met mijn donkere haar en bruine ogen al bijna een allochtoon, bij wijze van spreken. Vreemdelingen worden in een dorp eerder dan in een stad met wantrouwen bekeken. Het is helemaal waar dat een dorp veel meer op menselijke maat is gemaakt dan een stad, met haar grootschaligheid en anonimiteit. Maar paradoxaal genoeg is toch de menselijke ruimte in een dorp doorgaans kleiner dan in een stad. Het is nog steeds veelzeggend dat bijna de helft van de inwoners van Volendam bij de laatste verkiezingen PVV-stemmer bleek te zijn – nota bene in hét dorp in Nederland dat dagelijks te maken heeft met een invasie van buitenlanders en waar een flink deel van de lokale economie daarop drijft. Maar ook, als Volendammers onder elkaar, een in zichzelf gekeerde gemeenschap. Misschien wel juist als reactie op die dagelijkse invasie van vreemdelingen.

Maar wat moet je dan, als je het – zoals ik – benauwd krijgt van het gebrek aan fysieke ruimte in een stad. Want een stad, dat is steen en beton, stank en herrie. En mensen, heel veel mensen dicht op elkaar. Die elkaar vaak helemaal niet kennen, al wonen ze naast elkaar. Ik had om praktische redenen mijn fiets afgelopen vrijdag toch maar weer eens op station Utrecht Centraal gestald, en dus moest ik ’s avonds op weg naar huis de stad nog door. Maar terwijl ik al het bovenstaande door mijn hoofd liet gaan, al fietsend door Utrecht, verlangde ik al naar het moment dat ik de ringweg over zou steken en in de polder terecht zou komen. Daar voel ik mij thuis. Nu ben ik daar natuurlijk ook gezegend met alle goede dingen van een dorp, of een buurtschap in mijn geval. Ik ken al mijn naaste en iets verdere buren. Met de meesten daarvan sta ik ook op zeer goede voet (met anderen minder, maar ook dat is een ander verhaal). Maar stel dat ‘mijn’ buurtje midden in de stad lag. Dan had ik me waarschijnlijk, ondanks het goede nabuurschap, toch een stuk minder op mijn plek gevoeld daar. Het heeft ook te maken met de fysieke ruimte, de wijde lucht, het water, de veenweiden en de legakkers.

Maar het ‘nieuwe wij’ is op dit moment nog steeds een stads-aangelegenheid. De menselijke ruimte vind je in de stad; de fysieke ruimte op het platteland, in de dorpen. En dat blijft een dilemma. 

Categorieën: overdenkingen, stad en platteland, vanuit de wildernis | Tags: , | Een reactie plaatsen

(Opnieuw) de vraag naar pluraliteit: een analogie

Net vóór de zomervakantie, op 6 juli, liet ik de bloglezer en mezelf zitten met niet meer dan een begin van een antwoord op een vraag. Het ging erom hoe we religieuze veelvormigheid, of pluraliteit, serieus kunnen nemen zonder daarmee alle tradities op één hoop te gooien. Ik wil die vraag opnieuw opnemen, want ik ben er nog lang niet klaar mee.

Het heeft me altijd gehinderd als ik iemand hoor spreken over “religie” in algemene zin, als een soort generiek verschijnsel waar verschillende uitingsvormen van bestaan. Deze voorstelling doet volgens mij geen recht aan de realiteit. De realiteit is dat er niet zoiets als “religie” bestaat. Wat wél bestaat zijn religies, in meervoud dus. Ieder met haar eigenheid, unieke wordingsgeschiedenis, unieke manier van uitdrukken. Er is geen universaliteit in de religies; er bestaat slechts particulariteit. Om dit wat verstaanbaarder te maken, zoek ik mijn toevlucht tot een heel alledaagse analogie. Alledaags omdat het een analogie is met iets waar wij zo’n beetje ieder moment van ons menselijk bestaan mee te maken hebben: taal.

Hoewel alle talen ter wereld (alweer: meervoud) grosso modo dezelfde functies vervullen, zoals met name menselijke communicatie en menselijke uitdrukking, is er geen universaliteit in taal. Er is geen taal in algemene zin, waar verschillende vormen van bestaan. Er is wel geprobeerd om een soort meta-taal te identificeren – zoals bijvoorbeeld door Algirdas Greimas, de vader van de Parijse School in de semiotiek – maar dat blijft kunstmatig. De enige manier waarop we taal kunnen kennen en hanteren, is via een taal. Een particuliere taal, zoals het Nederlands, Engels, Hindi, Quechua of Mandarijn-Chinees. Een taal waarin mensen geboren worden en opgroeien, die een onvervreemdbaar deel is van hun leven en van de cultuur die hen omringt. En die tegelijk soms tekort schiet om de werkelijkheid van een mensenleven uit te drukken. Soms omdat er dingen zijn die op geen enkele manier in woorden zijn uit te drukken, en soms omdat sommige dingen in de ene taal beter uit te drukken zijn dan in de andere. Zoals bijvoorbeeld het beroemde en beruchte ‘gezelligheid’ in de Nederlandse taal. Het ‘senang’ uit het Indonesisch. Of het ‘crisp’ van een in het Brits-Engels beschreven herfstdag. Ook is het zo dat de meeste mensen maar één taal werkelijk vloeiend spreken; meestal is dat de taal van hun jeugd. Er zijn echter mensen die twee (of zelfs meer) talen met evengroot gemak gebruiken. Bijvoorbeeld omdat ze met twee talen zijn opgegroeid, of omdat ze op enig moment in hun leven zó gegrepen zijn door een taal die niet hun moedertaal is, dat ze zich deze helemaal eigen hebben gemaakt. Verder kunnen talen op elkaar lijken – we spreken niet voor niets van ‘taalfamilies’ – maar ook volkomen verschillend zijn. Nederlands en Duits lijken meer op elkaar dan Nederlands en ChiChewa (de nationale taal van Malawi) of Nederlands en Japans. Tenslotte is een taal op zich een neutraal iets; je kunt haar gebruiken om te vervloeken en om te zegenen. Het hangt maar helemaal af van de intenties van de spreker.

Ik kan nog wel een hele tijd doorgaan met deze verhandeling over de menselijke talen, maar daar was het me niet om te doen. Waar het me om te doen is, is de gelijkenis tussen talen enerzijds en religies anderzijds. Beide kennen we alleen in hun particulariteit. Net zo min als we achter de afzonderlijke talen kunnen doordringen tot de essentie van “taal” als universeel begrip, kunnen we achter de afzonderlijke religies doordringen tot een soort universele religie. Die bestaat niet. En de dingen die ik hierboven uiteengezet heb over de menselijke talen gaan – naar mijn inzicht – ook op voor de religieuze tradities, waar onze menselijke wereldgemeenschap zo rijk aan is. Er zijn dingen die in de ene religie beter tot hun recht komen dan in de andere. De verlichting als ultieme mogeiljkheid van de menselijke geest, die centraal staat in het Boeddhisme, en de menselijke feilbaarheid en kwetsbaarheid, waar het Christendom zoveel nadruk op legt, zijn beide facetten van onze condition humaine. De meeste gelovige mensen houden het bij één religieuze traditie, maar er zijn ook mensen die zich goed thuis voelen in twee of zelfs meer tradities. Religies kunnen een familiegelijkenis vertonen, zoals Christendom en Islam die beide het geloof in één God belijden. Maar ze kunnen ook heel verschillend zijn; Jodendom en Hindoeïsme vertonen bijvoorbeeld veel minder overeenkomsten. Tenslotte is het goed mogelijk om een religieuze traditie in te zetten tot onheil, maar ook tot heil. En met dat laatste kom ik weer terug bij de uitspraak van Edward Schillebeeckx waarmee ik mijn blogpost van 6 juli besloot. “Beslissend is dus niet de uitdrukkelijke bevestiging of ontkenning van God, maar het antwoord op de vraag: voor welke kant kies je in de strijd tussen goed en kwaad, tussen onrecht en recht?”

Deze post werd geschreven naar aanleiding van een gesprek vanmiddag, aan het eind van de lunchpauze, met mijn zeer gewaardeerde collega André van der Braak. André is hoogleraar Boeddhisme aan de VU en de komende vier jaar ook onderzoeker aan het DSTS.

Categorieën: geloof, overdenkingen | Tags: , , , , | 1 reactie

God is te groot voor één enkele traditie

Ik zou nog even door willen gaan met de overdenkingen over traditie, die ik vorige week begonnen ben. In mijn eerdere blogpost heb ik de nadruk gelegd op de eigen zeggingskracht van de christelijke traditie, die – in mijn ogen – in 2013 nog steeds uiterst relevant is. De vraag die ik nog even had laten liggen is die naar de omgang met de religieuze veelvormigheid – of pluraliteit, in wetenschappelijke termen – die dagelijkse realiteit is in het Nederland van vandaag.

Om een begin van een antwoord te formuleren op die vraag doe ik een beroep op die grootste onder de 20e-eeuwse Nederlandstalige theologen: Edward Schillebeeckx. In 1989 verscheen de laatste van zijn grote werken: Mensen als verhaal van God. De verhouding tussen de christelijke traditie en andere religieuze tradities is één van de thema’s die hij daarin oppakte. Hij deed dit in strikt christelijke termen, en dit is wel eens gebruikt om te betogen dat hij (kort door de bocht gezegd) uiteindelijk de andere tradities toch niet helemaal serieus nam. Ik vind dat hem hiermee onrecht gedaan wordt. Schillebeeckx sprak in christelijke termen om de simpele reden dat hij christelijk theoloog was. Dit was zijn ‘taal’, hij had geen andere. Een moslim-theoloog – ik noem maar een dwarsstraat – die het over andere tradities heeft zal dat in islamitische termen doen, en dat hoeft geenszins te betekenen dat die ze niet serieus neemt.

Hoe dan ook, één van de vragen die Schillebeeckx zichzelf stelde was of we de religieuze pluraliteit niet als een principieel gegeven moeten zien, die voortkomt uit de grootheid van God zelf. Anders gezegd: God is altijd groter dan wij ons kunnen voorstellen met ons beperkte mensenverstand en voorstellingsvermogen. Dan zou het toch dwaasheid zijn om te beweren dat Hij (of Zij) in slechts één enkele traditie te vangen is. Erger nog: dat zou pure hoogmoed zijn.

Maar, kan ieder die dat wil hier tegenin brengen, betekent dat dan dat alle tradities zomaar uitwisselbaar zijn en dat het niet uitmaakt welke je aanhangt? Of, in wat meer wetenschappelijke taal, zet je zo de deur niet wagenwijd open voor religieus relativisme? Dit is een vraag die ik even serieus zou willen nemen als ik de realiteit van de religieuze pluraliteit serieus neem. Laat ik vanuit mezelf beginnen. Ik ben gelovig christen, de christelijke traditie is een onscheidbaar deel van wie ik ben, ik zou niet anders willen. Voor mij, als individuele gelovige, maakt het dus wel degelijk uit welke traditie ik aanhang. Maar dit is maar een heel gedeeltelijk antwoord op de vraag. Voor een wat steviger antwoord ga ik opnieuw bij Schillebeeckx te rade.

Edward Schillebeeckx begint zijn betoog in Mensen als verhaal van God met een uiteenzetting van wat volgens hem een oer-ervaring van mensen is die in feite aan de basis ligt van ieder religieus geloof. Hij spreekt hierbij over de menselijke ervaring van lijden en onderdrukking, “die basis en bron is van een fundamenteel ‘nee’ dat mensen uitspreken over de feitelijkheid van hun in-de-wereld-zijn”. Maar, zo meent hij, “dit onthult een openheid naar een andere situatie die wél recht heeft op ons beamend ‘ja’. (…) Bovendien zijn er, bij tijd en wijle, fragmentarische maar werkelijke ervaringen van zin en geluk (…) die het ‘open ja’ telkens opnieuw voeden, bevestigen en overeind houden.” En hij voegt hier veelbetekenend aan toe: “In deze ervaring vinden gelovigen en agnosten elkaar.” En ik zou hier zelf aan toe kunnen voegen: “En hetzelfde geldt voor gelovigen uit heel verschillende religieuze tradities.” Hoewel Schillebeeckx in dit deel van zijn boek ook spreekt over de christelijk-gelovige interpretatie van deze ervaringen, legt hij er de nadruk op dat het gaat om algemeen-menselijke ervaringen van onzin en zin, onrecht en recht. De menselijke zin gaat vooraf aan de religieuze zin. En daarbij doet hij een uitspraak die ik als aanzet zou wilen gebruiken voor de vraag naar het religieuze relativisme: “beslissend is dus niet de uitdrukkelijke bevestiging of ontkenning van God, maar het antwoord op de vraag: voor welke kant kies je in de strijd tussen goed en kwaad, tussen onrecht en recht?”

Ik heb hier alleen maar een eerste aanzet kunnen geven; de maximale omvang van een blogpost, zoals ik die aan mezelf heb opgelegd, is alweer bereikt. Maar het einde van de vraag nog geenszins. Daarom, opnieuw: hierover een volgende keer meer.

(Citaten afkomstig van pp. 25-27 van Mensen als verhaal van God, verschenen bij uitgeverij H. Nelissen te Baarn, 1989)

Categorieën: geloof, overdenkingen | Tags: , , , , | Een reactie plaatsen

Blog op WordPress.com.